Ga terug

Jutter Henk Snip uit Groet, de laatste der jut-mohikanen aan de Noord-Hollandse kust

 

GROET – Hij is bekend van radio, televisie en presentaties door heel Noord-Holland, waar hij als ‘jutdeskundige’ aan het woord komt. Henk Snip uit Groet, maker van meubelen van juthout, beheerder van zijn eigen jutmuseum waar hij tienduizenden mensen gratis toegang verleende en rondleidde en bovenal doorgewinterde jutter, is met de meeste activiteiten gestopt. Maar kosten noch moeite worden gespaard als Henk aan de kust een vette buit ziet. ‘Het gevoel als je die balk of plank hébt is geweldig. Dat is het mooie van jutten.’

Het boerderijtje van Henk Snip (77) en zijn vrouw Henny ligt net om de hoek van de Heereweg in Groet, de doorgaande weg van Schoorl naar Camperduin. Het is niet te zien dat achter het pand twaalf schuurtjes staan, de meeste gevuld met jutvondsten. Snip, een rijzige gestalte, is geboren en getogen op deze plek, iets meer naar de hoek van de Heereweg. ‘Mijn vader, Willem Snip, had hier koeien’, vertelt Henk Snip. ‘Omdat er in die tijd ook al geen betaalbare huizen voor jonge mensen waren, besloot mijn vader toen het voor mij tijd werd om uit huis te gaan, de koeien weg te doen zodat er plek kwam om een extra woning te bouwen. Overdag werkte ik als timmerman en ’s nachts bouwde ik aan mijn huis. Zwaar? Ik was wel wat gewend hoor. Al sinds mijn vijftiende werkte ik en ging ik met een handwagen op twee wielen, vol met hout, naar Alkmaar om daar te timmeren. Ik was minstens een uur onderweg. Voor een werkweek van 48 uur kreeg ik drie gulden. Ik deed ook nog avondschool, leerde voor timmergezel. Later werd ik huismeester bij het bejaardenhuis in Schoorl, waar ik onderhoud deed. Op mijn zestigste ben ik gestopt. Dat kon toen nog.’

Met vader Willem ging Henk al op jonge leeftijd mee naar het strand om te jutten. Al snel ging het zelfstandig het strand op. ‘Ik nam voornamelijk hout mee. Heel veel hout. Dat werd voor alles gebruikt; meubelen, complete zomerhuizen, de twaalf schuurtjes die hier achter het huis staan, noem maar op. Verder stuitte ik op boeien, touwen en flessenpost natuurlijk.’ Maar ook barnsteen, een mammoetkies, een kunstbeen, kratten en heel veel andere strandvondsten vonden hun weg naar de opstallen van Snip. Van hout heeft hij een grote serie meubelen gemaakt; vrij werk en in opdracht. Fotoboeken laten vooral beeld met tafels in allerlei formaten, kasten en ledikanten zien. ‘Meubelen maken doe ik nog steeds’, zegt Henk Snip. ‘Maar wat ik nu maak, wil mijn vrouw niet meer kwijt. Vroeger had ik een bord aan de weg. ‘Strandjutterijmeubelen te koop’, stond erop, met eronder ‘alles een beetje zout’. Nou, de handel ging soms hard hoor. Ik denk dat bijna iedereen in de buurt wel een meubelstuk van mij heeft.’

‘Ook heb ik lezingen in heel Noord-Holland gegeven’, vervolgt hij. ‘In totaal 103 keer. Dan ging ik met een kofferbak vol jutspullen naar een bijeenkomst van een vereniging om te vertellen over de jutterij. Ik ben er ongeveer twee jaar geleden mee gestopt. Ik vind mezelf te oud worden. Het is te vermoeiend om ’s avonds nog een keer naar Monnickendam te rijden om mijn verhaaltje te doen.’ Maar niet voordat de drie kinderen van Snip een van zijn laatste lezingen hadden gefilmd en op dvd veiliggesteld. ‘Voor het nageslacht.’ Overigens is Snip wel vaker in beeld en geluid vastgelegd; hij werkte mee aan documentaires van Ireen van Ditshuyzen over de bescherming van het land tegen de zee maar had eveneens rollen in kinderprogramma’s als de Ko de Boswachtershow. Ook Man bijt hond wist de Groeter jutter te vinden.

‘Mijn museum is gesloten’, vervolgt de jutter. ‘Een heel enkele keer, op speciaal verzoek, wil ik mensen nog wel eens laten kijken. Maar de ontvangst van schoolklassen, collega’s van bedrijven of andere groepen doe ik niet meer. Ja, heel wat mensen hebben hier de jutspullen bekeken en een rondleiding gehad. Ik had zelfs nog eens een groep burgemeesters over de vloer. Burgemeesters van kustgemeenten zijn hoofd van de strandvonderij, de natuurlijke vijand van de jutter’, lacht hij. ‘Maar onze burgemeester vond dit een paradijs. Ik kreeg nog een stropdas met het wapen van Schoorl erop.’ Snip grijnst. Een ander leuk voorval schiet hem te binnen. Hij maakte op een dag 156 sleeptrossen, elk vijf meter lang buit. Er moest een tweewielig karretje aan te pas komen om al het touw van het strand te krijgen. Snip kwam tijdens die intensieve klus de strandvonder tegen. Die zei alleen maar: ‘Oh, touwtje?’ Ja, beaamde Snip, touwtje. Maar het mooiste was nog dat hij collega’s van de vrijwillige brandweer, waar hij een kwart eeuw heeft gediend, sleeptrossen verkocht. Voor zeven gulden vijftig per stuk. En die collega’s werkten bij Gemeentewerken… ‘Dat vind ik nou leuk hè. Die trossen hadden daar eigenlijk meteen moeten liggen, want alles wat aanspoelt is voor de gemeente.’

Hij is zo ongeveer de laatste der jut-mohikanen aan de Noord-Hollandse kust, juteiland Texel daargelaten. ‘Alle jutters van mijn leeftijd zijn dood. Jonge jutters bestaan niet. En dat begrijp ik ook wel. Vroeger, met een paar dagen westenwind, lag er altijd wel iets op het strand. Nu is dat sporadisch. Sinds de containervaart heb je geen dekladingen meer die overboord gaan. En door de komst van stabielere schepen vergaat er hier geen schip meer. Het laatste partijtje nieuw hout dat ik vond was in juni van dit jaar. Dat was gewoon mazzel. Ik was er snel bij. De strandvonder trouwens ook. Ik heb mezelf suf gesleept. Hier mag je, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Texel, niet met een trekker op het strand. Ik doe alles op de fiets. Ik heb hem volgeladen, het hout met touwen vastgebonden, en naar huis gegaan. Ik was er altijd verdomd handig in. Zeg maar een ABC’tje’, glimlacht hij en laat ter illustratie foto’s zien van grote pakketten hout waaronder net twee fietswielen zijn te zien. Zelfs ruim tien meter lange staken van de Waddenzee, de markeringstekens met vlaggetjes die wel eens losraken en op strand belanden, wist Snip op zijn fiets te takelen en mee te nemen naar zijn jutdomein. ‘Ik was vroeger ook hartstikke sterk. Maar ja, die aftakeling hè…’

Ondanks dat kruipt het bloed waar het niet gaan kan. Af en toe gaat Snip naar het strand. De afgelopen jaren vooral naar de Hondsbossche Zeewering, vanwege het gemak dat je dichtbij de zee kunt komen met de fiets. Nu, met de zandsuppletiewerkzaamheden, is dat even over. Na de suppletie moet de boel weer helemaal tot rust komen, legt hij uit. ‘Daarna gaan we kijken of we weer wat bij elkaar kunnen sprokkelen.’ Daarom wijkt Snip de laatste tijd uit, naar Den Helder bijvoorbeeld. ‘Mijn vrouw en ik gaan nog wel eens naar Lands End, het restaurant bij de boot naar Texel. Na een koffie en een bitterballetje ga ik altijd even op de dijk kijken. In een hoekje vlakbij de landpunt wil nog weleens wat liggen. Mijn vrouw zegt dan altijd: ‘Je hebt hout zat’, maar voor de goede vrede loopt ze mee’, lacht Snip. ‘Een poosje terug lag er een grote balk. Een prachtexemplaar van zes en een halve meter! Ik had er zeker een karretje voor nodig. We zijn naar huis gereden, ik heb me omgekleed en ben met een aanhanger met daarin een het karretje met vier zwenkwielen weer teruggegaan. Het stuk hout was vreselijk zwaar. Maar na een poosje lukte het me de balk op het droge te krijgen. Maar toen moest ik hem nog de dijk op zien te krijgen. Even verderop lag een fles. Die legde ik onder het hout en probeerde zo de balk te laten rollen. Maar het lukte niet. De balk was te zwaar. Die nacht sliep ik slecht. De volgende ochtend ben ik om half zes weer in de auto gestapt. Dit keer had ik een zaag mee en in de aanhanger een fiets. De balk lag er nog, want in Den Helder willen ze ook al niet meer jutten... Ik heb de balk in drie brokken van ruim twee meter gezaagd, ze op mijn fiets gebonden en naar de auto gebracht. Het was gelukt! Ik had meer dan 180 kilometer gereden voor één balk. Je wordt niet opgenomen, maar je bent eigenlijk geestelijk gestoord’, weet hij zijn actie te relativeren. ‘Maar ja, dat is de sport. Het gevoel als je die balk of plank hébt is geweldig, dat is het mooie van jutten. Ik heb de balken laten drogen en er twee tafelbladen van gemaakt. Ik heb ze verkocht aan een bloemenzaak. De eigenaar heeft er bloemen en planten opgezet.’

De jutterij aan de Noord-Hollandse kust is bijna historie. De broers Piet en Boet Winder willen nog wel eens het strand afschuimen, zo zegt Snip, maar op die twee na is het actieve jutten zo ongeveer ten einde. De verzamelingen jutvondsten liggen te verstoffen, maar vragen wel om een goede, zichtbare plek. Daarom heeft de Schoorlse strandvonder én jutter Willem de Rover zijn verzameling van 48 boeien naar Jan Uitgeest, oprichter van Schipbreuk- en Juttersmuseum Flora op Texel, gebracht. Hij vond dat ze een mooi plekje moesten krijgen. En in het museum op Texel worden jutvondsten op waarde geschat. Henk Snip heeft zijn eilandcollega ook verblijd met boeien en deed er nog een aantal bootshaken en roeiriemen bij. De rest van zijn uitgebreide collectie moet op Schoorls grondgebied blijven, zo vindt hij. ‘Er zijn in Camperduin plannen voor een kustbelevingscentrum met daarin onder andere een juttersmuseum. Ik hoop dat het er komt. Mijn collectie jutvondsten zou daar prima tot zijn recht komen.’

TOP